Anje Slootweg

3 min.

Een betekenisvolle relatie tussen grootouders en kleinkinderen kan vooral in kwetsbare gezinnen van grote waarde zijn. Tegelijkertijd zien wij dat het contact tussen grootouders en kleinkinderen juist in deze gezinnen vaker wordt verbroken. Bijvoorbeeld na een echtscheiding, bij opvoedproblematiek of na het overlijden van het eigen kind van de grootouder. In 2024 nam de Tweede Kamer een wetsvoorstel aan dat het voor grootouders makkelijker moest maken om een omgangsregeling te laten vaststellen. In maart van dit jaar is dit wetsvoorstel toch ingetrokken. Wat betekent dat voor de praktijk?

Hoe is het nu geregeld?

Op dit moment kan een grootouder de rechter verzoeken om een omgangsregeling vast te stellen. Daarvoor geldt een belangrijke eerste drempel: er moet sprake zijn van een ‘nauwe persoonlijke betrekking’ tussen grootouder en kleinkind. Die drempel ligt in de rechtspraak hoog. Er moet sprake zijn van meer dan gebruikelijk of regelmatig contact. Hierbij kun je denken aan situaties waarin er sprake was van inwoning, regelmatige verzorging en opvoeding, een intensieve oppasregeling of omgangscontacten na een uithuisplaatsing.

Pas als deze nauwe persoonlijke betrekking is aangetoond, komt de rechter toe aan de inhoudelijke beoordeling waarbij centraal staat of omgang in het belang is van het kind. Tenzij blijkt dat omgang in strijd is met dit belang, wordt een passende regeling vastgesteld.  

Uit onderzoek in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid blijkt dat veel verzoeken al stranden op deze eerste drempel.  Hierdoor komt de rechter vaak niet toe aan de vraag of contact met de grootouder in het belang is van het kind.

Wetsvoorstel

Het geschrapte wetsvoorstel beoogde de eerste drempel te verlagen. Het uitgangspunt zou worden dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking, tenzij het tegendeel wordt aangetoond. Daarmee zou de nadruk direct verschuiven naar de inhoudelijke beoordeling: is omgang in het belang van het kind?

Wat waren de bezwaren?

Uiteindelijk is het wetsvoorstel geschrapt nadat er in de Eerste Kamer grote bezwaren bleken te bestaan. Veel senatoren vonden dat het voorstel te veel uitging van de belangen van grootouders en onvoldoende van die van het kind. Daarbij werd gevreesd dat kinderen in een loyaliteitsconflict terecht zouden kunnen komen tussen ouders en grootouders. Ook leefde de zorg dat het voorstel tot een toename van het aantal procedures zou leiden. Tot slot werd als bezwaar genoemd dat deze wet alleen ziet op het omgangsrecht van grootouders en niet dat van andere familieleden die dicht bij het kind staan.

Overleg

Vanuit mijn praktijk zie ik dat het gemis van contact tussen grootouders en kleinkinderen vaak grote impact heeft op alle betrokkenen. Dat geldt temeer in de toch al kwetsbare gezinnen waarin deze problematiek vaker speelt. Juist daar is het extra schrijnend wanneer een kind ook het contact met een grootouder verliest. Voor kinderen is het van belang dat er een daadwerkelijk effectief middel bestaat om dit te voorkomen. De huidige regeling waarborgt dit onvoldoende, nu veel verzoeken al stranden bij de eerste drempel.

Tegelijkertijd verdient het aandacht dat verlaging van deze drempel kan leiden tot een toename van procedures. Dit kan de verhoudingen tussen ouders en grootouders verder onder druk zetten, wat uiteindelijk ook het kind niet ten goede komt. Het is van belang om in te zetten op het stimuleren van oplossingen in onderling overleg, bijvoorbeeld via hulpverlening, bemiddeling of met inzet van wederzijdse advocaten. Door tijdig het gesprek te faciliteren en grootouders als onderdeel van het netwerk te betrekken, kan in veel gevallen worden voorkomen dat een situatie verder escaleert.

Deel dit artikel

Neem contact op met onze specialisten voor meer informatie

Expertises bij deze publicatie