Cobie Voorberg
3 min.
Veel grootouders spelen een grote rol in het leven van hun kleinkinderen. Maar wat als het contact met de ouders, bijvoorbeeld als gevolg van een echtscheiding, verslechtert en de deur wordt dichtgegooid? Kunnen grootouders dan via de rechter afdwingen dat zij hun kleinkind blijven zien? In theorie wel, maar in de praktijk is de drempel hoog — en een recent wetsvoorstel dat daar iets aan wilde veranderen, is zojuist ingetrokken.
Wanneer heeft een grootouder recht op omgang?
Grootouders hebben in Nederland geen automatisch recht op omgang met hun kleinkinderen. Op grond van artikel 1:377a lid 1 BW hebben zij pas toegang tot de rechter als zij kunnen aantonen dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking met het kleinkind. Een familieband alleen is niet genoeg: er moeten bijkomende omstandigheden zijn waaruit blijkt dat het contact het normale grootouder-kleinkind contact overstijgt. Denk aan inwoning, een intensieve oppasregeling of een structurele betrokkenheid bij de verzorging en opvoeding.
In de praktijk blijkt die drempel hoog. Zelfs een vaste wekelijkse oppasdag gedurende jaren is soms onvoldoende. Zo oordeelde de Rechtbank Midden-Nederland in 2025 dat opvang op één werkdag per week "voor veel grootouders gebruikelijk is" en daarmee de normale band niet overstijgt.
De route via de ondertoezichtstelling
Toch zijn er situaties waarin de rechter wél ingrijpt ten gunste van grootouders. Dat laat een recente uitspraak van de Rechtbank Den Haag van februari 2026 zien.
Een recente uitspraak van de laat zien dat er binnen een ondertoezichtstelling meer ruimte bestaat. De zaak betrof een zestienjarige jongen die na het overlijden van zijn vader in 2020 uit huis was geplaatst. Zijn oma van vaderszijde was al vanaf zijn geboorte intensief betrokken bij zijn opvoeding, maar het contact was stopgezet door de jeugdbeschermer. De jongen gaf aan dat zijn behoefte aan contact met zijn oma juist groter werd en dat hij niet langer afhankelijk wilde zijn van de toestemming van zijn moeder.
De gecertificeerde instelling verzocht de kinderrechter een omgangsregeling vast te stellen op grond van artikel 1:265g lid 1 BW. Dit artikel noemt niet voor wie het omgangsrecht kan worden vastgesteld. De kinderrechter oordeelde, analoog aan artikel 1:377a BW, dat ook grootouders tot de kring van omgangsgerechtigden kunnen behoren. Gezien de intensieve betrokkenheid van de oma en de sterke band met de jongen, was er niet alleen een nauwe persoonlijke betrekking maar zelfs family life in de zin van artikel 8 EVRM. De kinderrechter stelde een omgangsregeling vast van minimaal één keer per week. Bijkomend voordeel: de beslissing haalt de jongen uit zijn loyaliteitsconflict, omdat de keuze voor hem wordt gemaakt.
Het wetsvoorstel is ingetrokken
De hierboven beschreven uitspraak heeft een belangrijke link met de actualiteit. Het wetsvoorstel "Wet drempelverlaging omgang grootouders" (Kamerstuk 36.364) had de drempel voor het omgangsrecht van grootouders structureel willen verlagen via een bewijsvermoeden: grootouders zouden een eigen, zelfstandig omgangsrecht krijgen. Dit wetsvoorstel is door de Tweede Kamer aangenomen en lag voor aan de Eerste Kamer. Met een brief van 20 maart 2026 heeft het kabinet Jetten het wetsvoorstel echter ingetrokken. Zowel het Hof Amsterdam als meerdere rechtbanken hadden al geweigerd op het wetsvoorstel te anticiperen, omdat het een trendbreuk inhield met de geldende wet en vaste rechtspraak. Met de intrekking blijft de hoge drempel van artikel 1:377a BW voor grootouders ongewijzigd van kracht.
Wat betekent dit in de praktijk?
De hierboven besproken uitspraak laat zien dat de jeugdbeschermer een belangrijke rol kan spelen. Als een kind onder toezicht staat en er een hechte band met grootouders bestaat, kan de gecertificeerde instelling de rechter vragen om contact officieel vast te leggen. Dat biedt het kind duidelijkheid en rust, en haalt het uit een lastig loyaliteitsconflict.
Het is dan ook van belang om tijdig te signaleren wanneer het ontbreken van contact met grootouders een kind schaadt en dit actief op de agenda te zetten.
Heeft u vragen over het omgangsrecht van grootouders? Neem dan contact met ons op.
Rechtbank Den Haag (12 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3677)