Leanne Kirpestein-Spierings
Sinds de invoering van de Wet herziening partneralimentatie in 2020 is de maximale duur van de partneralimentie in de meeste gevallen teruggebracht naar vijf jaar. De gedachte hierachter is dat economische zelfstandigheid – vooral van vrouwen – inmiddels de norm zou moeten zijn. Maar wat als dat in de praktijk niet lukt? Of als er omstandigheden zijn waardoor beëindiging van alimentatie simpelweg onredelijk uitpakt? Dit blog bespreekt wanneer verlenging van de alimentatietermijn mogelijk is en onder welke voorwaarden.
In welke gevallen kan je om verlenging vragen?
Het verlengingsverzoek is geregeld in artikel 1:157 lid 7 BW. Daarin staat dat de rechter de alimentatieduur kan verlengen wanneer beëindiging van de uitkering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd. Voorbeelden die volgens de wetgever aanleiding kunnen zijn voor verlenging zijn onder meer:
langdurige zorg voor een gehandicapt of ernstig ziek (minder- of meerderjarig) kind;
mantelzorg voor familieleden waardoor werken nauwelijks mogelijk is;
gezondheidsproblemen van de alimentatiegerechtigde die tijdens het huwelijk zijn ontstaan;
een aantoonbare achterstand op de arbeidsmarkt die ondanks inspanningen niet kon worden ingehaald;
het ontbreken van pensioenverevening, waardoor de alimentatiegerechtigde alleen AOW ontvangt;
situaties waarin de andere ouder weigerde meer zorgtaken over te nemen, waardoor werkhervatting niet haalbaar was.
De rode draad: de omstandigheden moeten verband houden met keuzes en taakverdeling binnen het huwelijk én moeten verklaren waarom economische zelfstandigheid niet haalbaar was binnen de wettelijke termijn.
Waarom is dit onderwerp voor ondernemers extra relevant?
In ondernemershuwelijken is de taakverdeling vaak duidelijk: één partner richt zich volledig op het bedrijf, terwijl de andere partner zorgtaken op zich neemt of meewerkt in het bedrijf zonder vaste aanstelling of pensioenopbouw. In de praktijk betreft dit regelmatig de vrouwelijke partner.
Om die reden zien we in ondernemershuwelijken relatief vaak dat:
de niet-ondernemende partner jaren heeft meegewerkt zonder formele beloning of pensioenopbouw;
er beperkte mogelijkheden waren om een eigen loopbaan op te bouwen;
pensioenopbouw onregelmatig of beperkt is en er soms geen pensioenverevening plaatsvindt;
zorg- of mantelzorgtaken werden gecombineerd met inzet voor het bedrijf, waardoor terugkeer op de arbeidsmarkt moeilijker is.
Deze factoren kunnen ertoe leiden dat economische zelfstandigheid binnen vijf jaar niet haalbaar is, waardoor een verlengingsverzoek in ondernemerssituaties een reële optie kan zijn.
Wanneer moet (of mag) je verlenging vragen?
De wet bepaalt dat een verzoek binnen drie maanden na het einde van de alimentatie moet worden ingediend. De Hoge Raad heeft in mei 2025 verduidelijkt dat een verzoek niet bij de eerste vaststelling van de alimentatie kan worden gedaan. Een rechter moet namelijk kunnen oordelen aan de hand van de omstandigheden zoals die zijn rond het einde van de termijn — en dat moment ligt meestal jaren later.
Een verlengingsverzoek mag volgens de Hoge Raad wel iets eerder worden ingediend, maar alleen "in het zicht van het einde van de alimentatietermijn". Hoeveel eerder precies, blijft onduidelijk, maar het moet gaan om een reële en actuele situatie. Deze uitleg van de Hoge Raad sluit aan bij de bedoeling van de wetgever: een rechter kan pas zorgvuldig beoordelen of verlenging nodig is wanneer duidelijk is hoe de persoonlijke en financiële situatie van de alimentatiegerechtigde zich daadwerkelijk heeft ontwikkeld.